November 1918

De Roode Week

 

In november is het tweeëntachtig jaar geleden dat Troelstra zijn ‘vergissing’ beging. Op12 november 1918 kondigde hij de Nederlandse revolutie aan. "Grijpt de macht, die u in de schoot geworpen wordt en doet wat gij moet en kunt doen¼ Wij maken een revolutie omdat het kan en moet." Ron Blom en Theunis Stelling, die momenteel aan een boek werken over het soldatenverzet gedurende de Eerste Wereldoorlog, geven een overzicht van de gebeurtenissen.

 

Ron Blom en Theunis Stelling

 

Terwijl in 1918 Nederland de levensstandaard daalde en het hongeroproer rondwaarde, raakten de gebeurtenissen in het buitenland in een stroomversnelling. De Eerste Wereldoorlog liep ten einde en de Centralen waren op weg naar een nederlaag. In oktober deden geruchten de ronde over de ineenstorting van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Het eens zo machtige Duitse leger werd nu volkomen teruggedrongen. Eind oktober stonden de Duitse troepen vlak bij de Nederlands-Belgische grens. De Nederlandse legerleiding, met generaal Snijders aan het hoofd, was bezorgd en besloten de verloven van de soldaten in te trekken. Al eerder, in maart 1916, leidde het intrekken van de verloven tot onrust onder de gemobiliseerden. Sindsdien was de sfeer in de krijgsmacht verder verslechterd. Diefstal, vervalsing van verlofpassen, simuleren, vernielzucht, verzuimen ten opzichte van de militaire groet, smokkelen, ongeoorloofde afwezigheid kwamen dikwijls voor. Het gezag van het kader was aangetast.

 

"Grijpt de macht!"

Het verzet van de dienstplichtigen begon in De Harskamp op 25 en 26 oktober, waar barakken en kantine als gevolg van ongeregeldheden in vlammen opgingen. Andere legerplaatsen volgden: Zwolle, Amersfoort, Geertruidenberg, 's-Gravenhage, Hellevoetsluis, 's-Hertogenbosch, Middelburg, Waalwijk, Zaltbommel, Deventer, Vlissingen, Haarlem, Harderwijk, Laren, Millingen, Oldebroek, Utrecht, Waalsdorp en Willemstad. De Tweede Kamer debatteerde in de eerste week van november over het gebeuren en stuurde, op aandringen van de SDAP-fractie, Snijders de laan uit.

De toestand in het leger leek revolutionair. De Russische revolutie, waarin juist de soldaten zo’n cruciale rol hadden gespeeld, lag nog vers in het geheugen. Begin november leek ook een revolutie in Oostenrijk-Hongarije en Duitsland aanstaande. Regeringen vielen, keizers traden af, matrozen en soldaten trachtten de macht te grijpen. Troelstra, en Rotterdamse leidinggevenden in de SDAP en het NVV, meenden dat de revolutie niet bij de Duits-Nederlandse grens op zou houden. Ook zakenlieden en bestuurders in Rotterdam dachten dat een nieuwe tijd zou aanbreken. Burgemeester A.R. Zimmerman van Rotterdam zocht op 9 november contact met de ‘revolutionairen’ met het doel de overgang naar een socialistische maatschappij zo ordelijk mogelijk te laten verlopen. En ook in politiek Den Haag waren er leiders van de liberale en vrijzinnig-democratische partijen, die tot hun spijt dachten dat alles verloren was en de revolutie niet meer te keren.

 

Op zondag 10 november, de dag dat de Duitse ex-keizer Wilhelm II naar Nederland uitweek, stelden SDAP en NVV een manifest op met verregaande eisen aan de regering: algemeen vrouwenkiesrecht, algehele demobilisatie en een achturige werkdag. Een oproep tot revolutie was het echter niet. Veel sociaaldemokraten meenden dat de tijd nog niet rijp was. Troelstra had verder willen gaan maar mocht niet.

De dag daarna deed hij het echter wel. Tijdens een toespraak in Rotterdam sprak hij - vooruitlopend op het buitengewone congres van SDAP en NVV op 16 en 17 november - de volgende woorden:

 

"Grijpt de macht, die u in de schoot geworpen wordt en doet wat gij moet en kunt doen¼ Wij maken een revolutie omdat het kan en moet. Wij zullen dus zondag de gewichtige vraag hebben te bespreken of wij zullen overgaan tot een opperste raad van arbeiders en soldaten voor het hele land en van plaatselijke raden. Hebben wij daartoe besloten, dan is die raad vanaf dat ogenblik het opperste gezag van het land."

 

De arbeiders- en soldatenraden zouden moeten worden gevormd door de afdelingen van de Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen. Deze sociaal-democratische organisatie van militairen was in mei 1918 ontstaan na een fusie van een drietal verenigingen voor dienstplichtigen. Revolutionaire organisaties waren dit niet. Oorspronkelijk was het doel ervan geweest gemobiliseerden te vermaken en de band met de arbeiderspartij en de vakbeweging in stand te houden. Door de slechte levens- en arbeidsomstandigheden ontwikkelden zij zich tot belangenorganisaties.

In Nederland bestonden wel degelijk revolutionaire soldatenorganisaties, namelijk de anarchistische arbeiders- en soldatenraden en de revolutionair-socialistische soldatenraden. Met deze (kleine) soldatenorganisaties wilde Troelstra echter niets van doen hebben.

 

Op dinsdag 12 november eiste hij in de Tweede Kamer dat de macht zou worden overgedragen. De regering kreeg een vijftal dagen om de macht over te dragen. Achteraf bezien heeft ze die dagen vooral gebruikt om tegenmaatregelen te nemen.

 

Contra-revolutie

Na Troelstra’s toespraak zat de schrik er goed in. Kapitein van Woelderen, hoofd van de inlichtingendienst GSIII schreef op 12 november:

 

"Ik maakte vanmiddag in de beambtenloge de zitting van de Tweede Kamer mede, het historische moment, waar Troelstra de revolutie preekte onder mededeeling, dat het groote partijcongres te R'dam zaterdag zal besluiten, hoe de medegedeelde plannen praktisch zullen worden uitgevoerd. Wij hebben vandaag op GSIII aan tal van goede vrienden in het leger geschreven om juiste inlichtingen omtrent stemming en betrouwbaarheid in het leger. GSIII verandert nu van inlichtingendienst voor buitenland thans voor binnenland. Ik acht den toestand hoogst gevaarlijk door de werkeloosheid en apathie van alle andere partijen."

Zijn pessimisme was niet terecht. Vanaf 12 november kwam de ‘contra-revolutie’ op gang. Betrouwbare troepen werden naar de grote steden gestuurd, en de Bijzonder Vrijwillige Landstorm werd opgeroepen ter versterking van het regeringsgezag. Dat was hard nodig. Met de bescherming van, bijvoorbeeld, de regeringsgebouwen in Den Haag was het slecht gesteld. Eén van de initiatiefnemers van de Bijzonder Vrijwillige Landstorm Mr Dr H.H.A. van Gybland Oosterhoff schreef:

 

"Het paleis in het Noordeinde staat om zoo te zeggen voor iedereen open, en de Koningin is niet de persoon om in deze omstandigheden Den Haag te verlaten. Een optocht van het gepeupel onder leiding van Wijnkoop zou noodlottige gevolgen kunnen hebben. Men meent te weten, dat behalve de gewone politie-veiligheidsmaatregelen geen verdere voorzieningen van eenige beteekenis zijn getroffen. Deze politiemaatregelen, meent men, - die volkomen afdoende zijn voor eventueele hongeropstootjes - zullen geheel onvoldoende blijken, wanneer eventueele relletjes een antimonarchaal karakter mochten aannemen. De politie is toch grootendeels ook socialist. Op militairen steun valt niet te rekenen, omdat in elk geval bij elke betoging vele soldaten (verlofgangers) aanwezig zullen zijn, en militairen reeds in gewone omstandigheden niet tot optreden tegen andere militairen te krijgen zijn."

 

Binnen het leger werd de Bond van Regeeringsgetrouwen opgericht. Via pamfletten riep men soldaten op hier lid van te worden. Op woensdag 13 november werden strategische punten in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam werden onder militaire bewaking gesteld. Gemeentes werden opgeroepen burgerwachten te formeren. In een regeringsproclamatie werd de bevolking opgeroepen niet het voorbeeld van Rusland te volgen. In het schrijven werden allerlei beloftes gedaan.

 

Het tij keert

De houding van de SDAP was op die dag niet bepaald revolutionair te noemen. Troelstra werd in eigen kring onder ware druk gezet. Vele SDAP-prominenten distantieerden zich van hem. Toch was de deining niet geheel verdwenen.

 

Op SDAP-vergaderingen werden 's middags en 's avonds radicale woorden gesproken. In Amsterdam, Den Haag, Enschede en Zaandam waren er massale bijeenkomsten. Het feit dat het Revolutionair Socialistisch Comité (RSC, gedomineerd door de SDP, de voorloper van de Communistische Partij in Nederland) medewerking toezegde (zonder dat het overigens tot samenwerking kwam), verhoogde de strijdlust.

Ook de matrozen op de vloot in Den Helder verkeerden in een zeer opstandige stemming. De schout bij nacht Albarda besloot daarom de vloot uit voorzorg te ontwapenen.

Vertegenwoordigers van de onafhankelijke vakbeweging kwamen op een door het NAS uitgeschreven vergadering bijeen. Besproken werd het eisenpakket, de aan te wenden middelen en de samenwerking met de SDAP en NVV. Vele onafhankelijken zeiden op deze vergadering, dat deze veel te laat werd gehouden daar SDAP en NVV reeds het initiatief hadden genomen met een gematigd programma, dat niet revolutionair-socialistisch was. Op die basis kon men niet samenwerken.

Ook het RSC hield in Amsterdam bijeenkomsten in de Handwerkersvriendenkring, die zeer druk bezocht waren, onder andere door tweehonderd soldaten. Na afloop was er een grote demonstratie. Henriëtte Roland Holst en David Wijnkoop liepen op kop. Het eindpunt van de demonstratie had de Oranje-Nassau-kazerne moeten zijn, waar een lid van de Amsterdamse soldatenraad werd vastgehouden. In de Sarphatistraat ging het echter mis. Bij de aldaar gelegen cavalariekazerne riepen de demonstranten de huzaren op zich aan te sluiten. Daarop werd vanuit de kazerne geschoten. Resultaat : drie doden en achttien gewonden.

 

Na de tumultueus verlopen demonstratie werd donderdag een rustige dag. Het RSC riep op tot een nieuwe demonstratie, maar deze trok slechts honderd mensen. Het incident bij de cavaleriekazerne had de mensen afgeschrokken. Die avond vonden nog wel besprekingen plaats tussen vertegenwoordigers van het RSC aan de ene kant, en SDAP en NVV aan de andere kant. Tevergeefs probeerde men op één lijn te komen. Maar de SDAP bleek de uitgangspunten van het RSC, het grijpen van de staatsmacht, niet te waarderen. De SDAP wilde geen revolutie, maar slechts inwilliging van haar programma.

Ondertussen versterkten de reactionaire groeperingen zich. De Vrijwillige Landstorm groeide met vrijwilligers uit vooral Rooms-Katholieke en protestants christelijke kring. In de Tweede Kamer werd de SDAP-fractie zwaar onder vuur genomen en leed in het debat een nederlaag. Troelstra werd terrorisme en intimidatie verweten. Een goed weerwoord had hij niet. Troelstra schreef zelf daarover in zijn ‘Gedenkschriften’:

 

[...] achteraf bezien moet ik toegeven, dat ik in deze woorden losliet het revolutionaire element in mijn rede van Dinsdag [...]."

 

"In banen van orde"

Het congres van SDAP en NVV in Rotterdam op 16 en 17 november leverde geen oproep tot revolutie op. Integendeel, de uitspraak een NVV-vertegenwoordiger vatte de koers goed samen:

 

"Natuurlijk, Europa is in revolutie en misschien zal die, zoals een onzer heeft gezegd, niet in Zevenaar standhouden. Maar dan zullen wij trachten haar buiten ons land te houden en anders in banen van orde te leiden. In elk geval zullen wij toonen te weten, dat revolutie niet gemaakt wordt. En zeker niet in het openbaar."

 

De commissarissen van politie van Groningen en Zaandam, de burgemeester van Zwolle en de districtsommandant van de marechaussee belden op 17 november de Rotterdamse politie om te informeren naar de afloop van het congres. Zij konden gerustgesteld worden.

 

Het NAS concludeerde dat de revolutiepoging was uitgelopen op een échec. De voorzitter van het NAS, B. Lansink jr, meende

"dat de actie afgeloopen is en de eventueele revolutie mislukt is [¼ ] Het NVV en SDAP [hebben] geen ambitie meer een massale actie op touw te zetten. Zij zullen pogen langs parlementaire weg datgene te bereiken wat ze eischen [....]. Wij als onafh. vakbeweging en de overige rev. kameraden zullen niet in staat zijn om ons program zelfstandig ten uitvoer te leggen." Ook de SDP was die mening toegedaan.

 

Op Maandag 18 november vond op het Malieveld in Den Haag een grote manifestatie plaats. Militairen koppelden de paarden van het koninklijk rijtuig af en trokken de koningin zelf voort. De Roode Week was geeindigd, een oranjefurie begon.